Als instructeur zeggen wij altijd: “Aan kinderen kunnen we zien, hoe ouders rijden”. Maar wat, als het voorbeeld niet goed is? Zelfs als we het zelf niet zien, dan zeggen leerlingen het wel. Bijvoorbeeld als ze ineens gas geven, wanneer een verkeerslicht op oranje springt (in de wet spreken we trouwens van geel licht). Ik vraag dan: ”Waarom geef je nu gas om nog door oranje te kunnen rijden?” “O, dat doet mijn vader ook altijd”. Herkenbaar?

Hoe zat het ook alweer bij geel licht?
We kijken eerst even naar de wet en in dit geval naar het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In artikel 68 van dit regelement staat letterlijk de volgende tekst: 1b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan. Dus geel licht betekent stoppen, tenzij dat redelijkerwijs niet meer kan. Bijvoorbeeld als er een vrachtwagen dicht achter je zit, of als je al te dicht bij de stopstreep bent.

Veel bestuurders denken dat ze, door op het laatste moment een dot gas te geven, nét nog het gele licht kunnen halen, maar vaak blijkt later, dat ze door rood zijn gereden, met een boete tot gevolg. Een boete voor rijden door rood licht bedraagt € 300,00 en dat is een hoop geld! En misschien vergeten we hier nog het belangrijkste, namelijk het aspect van verkeersveiligheid. Er bestaat een reëel gevaar van een botsing, want het verkeer dat groen licht krijgt, trekt op en houdt geen rekening met het optrekkende verkeer.

Geeltijd
De tijd dat een verkeerslicht op geel staat, is gebaseerd op de maximumsnelheid van het wegvak. Het kennisplatform CROW zegt daar het volgende over:
“De geeltijd voor afslaand verkeer, dat al aan het remmen is, bedraagt 3,0 seconden. Bij rechtdoorgaand verkeer dat een (aanvangs)snelheid heeft van 50 km/h bedraagt het 3,5 seconden. Bij een weg waar je 80 km/h mag rijden, is de aanbevolen geeltijd 5,0 seconden, als je rechtdoor rijdt.”

Mijn tip
Ik leer mijn leerlingen om ver vooruit te scannen en regelmatig (om de 5 á 8 sec.) in de spiegels te kijken en al vroegtijdig te bepalen, of ze gaan stoppen of doorrijden. Uiteraard, afhankelijk van of er een bestuurder dicht achter hun zit en of ze al dicht in de buurt zijn van de stopstreep. Dat vinden ze knap lastig, maar door regelmatig te oefenen, slijpt deze gewoonte er wel in.

En wat ik dan vaak terugkrijg van ouders, is dat hun kind hun terecht gaat wijzen, hoe grappig is dat! Ouders vinden dit eigenlijk alleen maar leuk en geven vaak toe, dat het niet goed is wat ze doen. Als rijinstructeur kun je het verschil maken, daarom vind ik mijn vak zo mooi!